Publicaties/Nieuwsarchief
 
 
LeesVoorDownload_mp3  
 
 

 
 

Beginpagina William Schrikker Groep
 
 
 


Interviews.



‘Ik ben trots dat ik een Arubaanse ben’
.

Analiza
.
‘Mijn hele leven woon ik in dit pleeggezin, want ik kwam hier als baby van zes weken oud,’ zegt Analiza (nu 16 jaar). Mijn eigen pappa en mamma konden niet voor me zorgen. Mijn moeder is een Filippijnse en mijn vader een Arubaan.’ Liza heeft met haar moeder al een paar jaar geen contact. Haar vader belt wel regelmatig en hij komt ook op bezoek in het pleeggezin. Liza: ‘Ik ga ook wel naar hem toe als er verjaardagen zijn, dan zie ik ook andere neefjes en nichtjes. De ouderen praten Papiamento of Nederlands met een accent, dat is best moeilijk te verstaan. Ik ben trots dat ik een Arubaanse ben. We zijn met mijn pleegbroers en pleegzus op vakantie naar Aruba geweest. Het is een mooi eiland en meestal is het mooi weer. Arubanen kennen minder regels. De Nederlanders zijn altijd druk bezig met de toekomst en werk. Arubanen leven met de dag. Zelf heb ik die eigenschap ook in me, want als mijn pleegmoeder mij vraagt iets te doen, stel ik dat meestal uit tot het laatste moment. Ook als ik een tijd afspreek op school kom ik op het laatste moment. Toch praat ik me er altijd onderuit.’

Arubaanse tradities
.
‘Hier in het dorp wonen helemaal geen Antilianen of Filippijnen,’ zegt Liza. ‘Ik wil toch iets meer weten over de Filippijnse cultuur en sinds kort chat ik op Hyves met Filippijnse mensen. Daar leer ik best van. Van de Arubaanse cultuur heb ik wel al bepaalde gewoontes leren kennen, onder andere van mijn Arubaanse familie. Ze bezoeken me hier soms. Zo worden elke vijf jaar de verjaardagen met bepaalde tradities gevierd. Op mijn vijfde jaar en tiende jaar waren zij er ook bij. Zij hadden een grote pop gemaakt, die aan het plafond hing en helemaal gevuld was met snoep. Ik kreeg een blinddoek om en met een stok moest ik de pop stuk slaan. Alle snoep die er dan uitviel konden de kinderen oprapen en opeten natuurlijk. Op mijn derde jaar kreeg ik van mijn opa en oma een geel kanten jurkje uit Aruba. Dit heb ik nog steeds bewaard en het hangt in een kast op mijn kamer.’

Dansen
.
‘Van mijn tantes heb ik boekjes gekregen om Papiamento te leren. Soms probeer ik wat woorden te leren maar ik kan het niet zo goed. Mi ta stima bo betekent: ik hou van jou. Als ik mijn Arubaanse familie bezoek hoor ik een ander soort stijl muziek, vaak Latin. Zelf luister ik graag naar reggaeton muziek, dancehall, reggae hip hop, rock en urban. Op die muziek dans ik altijd op mijn kamer. Mijn familie houdt ook erg van dansen; dat is denk ik wel Arubaans. Het liefst wil ik later dansen als artiest en ook een opleiding volgen om videofilms te kunnen monteren. Volgend jaar ga ik me weer aanmelden voor auditie om een dansopleiding te kunnen volgen. Ik hoop dat ze me dan aannemen,‘ zegt Liza.


‘Elke dag denk ik aan mijn ouders.’
.

Afzal

‘Hai, ik ben Afzal en ik kom uit East!’ Afzal steekt hierbij zijn hand op en houdt zijn ringvinger en duim weg, zodat er een E ontstaat. ‘Dat doen we altijd met onze vrienden uit Amsterdam Oost.’ Afzal is 11 jaar en woont nu al weer vier jaar bij pleegmoeder. Helaas was het niet meer mogelijk dat Afzal bij zijn ouders kon blijven wonen. ‘Tante Norine (zo noemt Afzal pleegmoeder) is lief hoor, maar soms is ze streng. Als ik bijvoorbeeld niet op tijd thuis kom voor het eten, dan wordt ze boos. Maar weet je, als ik voetbal en lol heb vergeet ik de tijd gewoon.’ Twee keer per maand bezoekt Afzal zijn vader. ‘Op zaterdag na het voetballen, dan speel ik daar, eten we samen en dan brengt hij mij weer terug.’  Afzals moeder belt een paar keer per week en schrijft Afzal ook brieven. ‘Ik bewaar de brieven in een plastic zakje op mijn kamer. Vaak lees ik de brieven nog eens over en voel ik dat ze toch van me houdt. Elke dag denk ik aan mijn ouders.’

Cake, rijst en drinken
.
De ouders van Afzal zijn Surinaamse moslims. ‘Tante Norine, die ook uit Suriname komt, is christelijk,’ zegt Afzal, ‘maar ze houdt altijd rekening met mij. We eten geen varkensvlees en snoepjes met gelatine erin. Soms neemt tante Norine me mee naar de islamitische slager, zodat ik zie dat we halal vlees eten. Bij tante Norine heet de god gewoon God en bij mij heet de god Allah. In de kerk delen ze stukjes brood uit, hosti heet dat geloof ik. Dat zie ik tenminste op de tv als tante Norine naar een dienst kijkt. In de moskee delen ze cake, rijst en drinken uit. Met het suiker- en offerfeest ben ik altijd bij mijn familie om het te vieren. Als ik 12 ben ga ik meedoen aan de ramadan. Eerst ging ik altijd met een klasgenoot op zaterdag mee naar de moskee, maar dat kan nu niet meer, want ik ga elke zaterdag voetballen.’

Mensen helpen
.
‘Voetballen is echt mijn passie. Tante Norine heeft me al snel bij voetballen aangemeld. Ik speel nu bij S.C. Overamstel. De trainer zegt dat ik goed m’n best doe. Dat doe ik ook want ik wil profvoetballer worden en ik oefen veel op straat. Ik ben een grote fan van het voetbalteam uit Brazilië. Verder ben ik voor AZ. Dat komt door mijn vader, die heeft een tijdje in Alkmaar gewoond. Dat vinden mijn vrienden hier niet leuk natuurlijk, maar AZ is toch maar mooi in 2009 landskampioen geworden. Als het profvoetballen nou niet lukt wil ik chirurg worden. Het is gewoon fijn om mensen te helpen. Tevens weet ik veel over het menselijk lichaam want ik kijk veel naar medische programma’s, dat interesseert me. Of politieagent in Nederland. Maar nog liever wil ik politieagent in Amerika worden. Daar hebben ze grote pistolen, met kogelvrije vesten en een helm. Hier in Nederland dragen ze een hemd over het vest.’


Mike: ‘Ik kan het nu zelf, maar Anneke bedankt en zo!’.

Mike.

Niet echt een ochtendmens
.
Ik sta voor een gesloten deur. Voor de zekerheid bel ik nog een keer aan. Een hond begint te blaffen maar verder blijft het stil. Net een rit vanuit Amsterdam naar Ede achter de rug, op de dag dat de A2 volledig verstopt zit. Ik ga even in de auto zitten en bel Mike op zijn mobiel. Voicemail. Dan maar het vaste nummer. ‘Met het huis van de familie van de Werken’. Niet veel later gaat de voordeur open. Mike krijgt van dit alles niet veel mee. Hij ligt nog te slapen en is, zoals nu al duidelijk word, de afspraak totaal vergeten. Dat is niet het enige ‘struikelblok’. Mike is niet echt een ochtendmens.

Zij nam mij serieus
.
‘Ik kwam bij de WSG toen ik 16 was. Het ging niet goed thuis. Ik kreeg ook problemen met de jeugdbescherming en zo en de kinderreclassering. Ik kreeg een gezinsvoogd. Niet meteen Anneke, eerst was er een ander. Die vond ik echt niks, die kwam hier bij mij thuis en was zo streng. Ik leerde met de gezinsvoogd om gewoon mijn ding te doen, maar dan rustiger. Om beter na te denken over dingen. Na die ene gezinsvoogd kwam Anneke. Anneke is ook streng, maar met haar kon ik er meer over praten en zo. Zij luisterde naar mij. Zij nam mij serieus. Wat ik wel echt irritant vond is dat ze (kinderrechter. Red.) je gewoon vastzetten. Dat je ouders niets meer te zeggen hebben. Maar ik ga nu even een sjekkie roken.’

5 minuten later
.

Ik werd rustiger
.
‘Van Anneke leerde ik om rustig te blijven. Op een gegeven moment mocht ik mijn eigen verlofplan opstellen, omdat het zo goed ging. Zij gaf mij de vrijheid omdat ik zo rustig bleef. Goed gedrag. Ik heb daar bijvoorbeeld geen een keer gevochten in die twee jaar. Waarom? Ik wou er zo snel mogelijk uit. Ik hield me gewoon rustig daar, afzijdig. Alleen mijn eigen ding doen. Je houdt je natuurlijk niet helemaal afzijdig, maar je bemoeit je gewoon alleen met de mensen met wie je daar omgaat. Je maakt natuurlijk zat contacten, maar ik trapte niet zoveel rotzooi. Wel eens wat gedaan natuurlijk, maar met mate. In het begin wilde ik ook niet luisteren. Toen zat ik nog strafrechtelijk en moest ik wachten op mijn zaak. Twee maanden later was dat anders. Er kwam een OTS en ik werd rustiger.’

Bedankt en zo
.
‘Anneke zie ik niet meer, ik ben nu 18. Even had ik werk via een project, maar nu zit ik zonder werk. Daar baal ik ontzettend van. Ik heb net gesolliciteerd bij een slagersbedrijf, vlees snijden. Straks moet ik weer terug naar Manpower. Zij zouden gisteren bellen maar dat hebben ze niet gedaan. Het is beter voor mij om te werken. Als ik te lang thuis zit is dat niet goed. En je moet toch ook je geld binnenhalen. Anneke heeft veel dingen voor mij gedaan, tegen haar wil ik nog zeggen: “Bedankt en zo!” Ik ga niet meer terug naar vroeger, dat is niet goed voor mij. Maar nu ben ik 18, en kan ik het zelf.’

Ik neem een paar foto’s en probeer de grote hond te ontwijken. Schud de handen van oma, twee andere familieheden en natuurlijk Mike. Als ik richting mijn auto loopt, zegt Mike: ‘Sorry hoor, van vanmorgen, dat we zo begonnen zijn. Als ik net wakker ben, ben ik zo chagrijnig.’


Reactie Anneke Ruttenberg, gezinsvoogd Mike
.
Mike had de maatregel OTS en uithuisplaatsing gesloten machtiging. Het eerste jaar mocht Mike niet naar buiten toe en had hij alleen bezoek op de Rentray. In die tijd heb ik veel gesprekken met hem en zij ouders gevoerd over wat hem te doen stond. Hij moest laten zien wat hij in zijn mars had. Hij ging daar na school. De samenwerking met de Rentray was grandioos, alles werd zorgvuldig op elkaar afgestemd en besproken. Ik ben altijd duidelijk en eerlijk naar Mike geweest. De eerste keer verlof heb ik zelf gedaan en ben met hem Lelystad in geweest, vertrouwen was er voldoende dus dat zag ik echt wel zitten, Mike gaf toen wel aan dat hij daar blij mee was maar ook doodeng vond om weer die maatschappij in te gaan. Eén verlof vergeet ik echt nooit meer en dat was op zijn verjaardag. Ik ben toen naar hem toegegaan (wat eigenlijk niet kan op een gesloten setting) en was daar dus geheel onverwachts om hem op te halen om zijn verjaardag te vieren, zijn reactie en gezicht vergeet ik echt nooit meer!
Wat ik ook deed uiteraard was overleggen met de ouders als Mike zich niet had gedragen. Als er met verlof dingen waren gebeurd die niet door de beugel konden, ging het volgende verlof neer door. Dit tot grote teleurstelling van Mike, maar dit heeft hem uiteindelijk wel laten inzien dat het niet kon wat hij deed! Op 28 maart 2009 liepen de maatregelen af maar hebben wij nog drie maanden de uithuisplaatsing verlengd om zo Mike op een goede manier te kunnen begeleiden. Mike het ook mee eens!
 
Uiteraard is niet alle lof van dit succes aan mij te wijten, De Rentray heeft hier absoluut een hele grote rol in gehad. De samenwerking was echt top tussen mij en de Rentray, waardoor Mike mede daardoor ook goed terug kon keren naar de maatschappij.





Voorbeelden uit de praktijk
.



Roos.

Moeder heeft een verstandelijke beperking (IQ 67) en meervoudige psychiatrische problematiek: borderline, agressie-regulatie problemen en ADHD. Ze is in haar eerste levensjaren verwaarloosd en zowel geestelijk als fysiek mishandeld door haar moeder.
Ze heeft (al sinds haar kindertijd) agressieve buien, gooit dan met spullen, valt haar moeder aan en slaat op haar zwangere buik. Ze is onbeheersbaar en oncontroleerbaar agressief. Ze heeft tot haar 18e heel wat hulpverleningstrajecten doorlopen en anderhalf jaar in een instelling gewoond en behandeld.
Vader heeft ADHD, is opgegroeid met een aan alcohol verslaafde moeder en als kind uithuis geplaatst. Hij heeft grote financiële problemen en werkt meer dan fulltime.
Oma is ook bekend met borderline problematiek en was ooit drugsverslaafd (toen haar dochter klein was). Ze had tot een jaar geleden een reclasseringsmaatregel.
Opa is ooit gedetineerd geweest (toen zijn dochter klein was).

Vader en moeder hadden een relatie en zijn nu uit elkaar. Moeder woont bij oma in een tweekamer appartement en slapen op één kamer. Moeder en oma hebben nog wel ruzie, maar volgens oma vallen er geen klappen meer.

Toen Roos bij moeder en oma woonde en twee weken oud was, werd ze met spoed uit huis geplaatst. Moeder nam haar antidepressiva en antipsychotica niet (meer) volgens voorschrift, was dus vaker agressief en vertoonde onvoorspelbaar gedrag. Sinds de geboorte van Roos verstuurde ze emails aan de vader waarin ze onder meer schreef dat hij het kind moest komen ophalen anders 'zou er iets gebeuren'.

Roos woont nu in een pleeggezin en het gaat beter met haar. De machtiging uithuisplaatsing is voor zes weken afgegeven. Binnen deze periode moet de WSG onderzoeken of terugplaatsing mogelijk is.


Ik ben niet gek!.

Op een dag belde ze en zei ze tegen me: ‘…maar Magdy, ik ben niet gek, ik ben echt niet gek…’.

Weken later zit ik in Driebergen. Ik ben bij de Summer School van de WSG. Ik doe een schrijfoefening en ik krijg de opdracht om me helemaal in te leven in één voorwerp. Ik kijk, ik hoor, ik ruik, ik voel, ik proef. Ik sluit m’n ogen en dan zie ik het: ik zie wat ik wil zien, ik hoor wat ik wil horen, ik ruik wat ik wil ruiken, ik voel wat ik wil voelen, ik proef wat ik wil proeven.

Ondertussen was ik zo geobsedeerd met mijn voorwerp bezig dat ik helemaal niet merkte dat de wereld om me heen bleef doordraaien. Ik miste de auto’s die voorbij raasden, de treinen die voorbij gleden, de wind in de boomtoppen. Ik zag opeens mijn elleboog over de tafel bewegen.

Ik was wekenlang intensief in de weer geweest met haar. Ik had geprobeerd haar te zien, te horen, te ruiken, te voelen, te proeven. Ik dacht haar te lezen en nog eens te lezen. Maar het was als de oefening in Driebergen: mijn zintuigen namen waar wat ze wilden waarnemen. En daarin stond ik niet alleen: ook haar advocaat , haar ouders, de andere hulpverleners en begeleiders. Het hele systeem had waargenomen wat het (bij voorbaat) wilde waarnemen.

Zij was geen mongool, ze was echt geen mongool. Ze had geen IQ van 68 of 86, maar 94. We waren allemaal zo intensief bezig met waar me mee bezig wilden zijn dat we niet in de gaten hadden dat het niet klopte.

Ik leerde ervan dat je altijd scherp moet blijven, je steeds weer moet afvragen of wat je hebt gevonden ook is wat je hebt gezocht. Keer op keer op keer.


Laat hem nou eens een keer uitpraten! .

'Laat hem nou eens een keer uitpraten!', zegt Frits opeens vanuit de bank in de kamer. Zijn moeder is stil en verbaasd over de kracht van de woorden van haar zoon. Ook ik ben stil. Frits’ moeder staat op, loopt naar de badkamer en maakt haar gezicht nat. Verontschuldigend komt ze terug en we vervolgen het gesprek dat zo moeizaam was verlopen. Dat het moeizaam verliep is niet zo vreemd, er is veel gebeurd in het leven van haar gezin.

6 jaar geleden is de ellende begonnen. Haar, tot dan toe rustig leven, werd wreed verstoord, toen haar man seksueel misbruik maakte van hun dochter. Het meisje was al zo kwetsbaar gezien haar verstandelijke beperking en nu overkomt haar ook dat nog. Moeder kan het nog steeds niet begrijpen. Het gezin wordt verscheurd door wat er tussen vader en dochter gebeurd is. Het meisje wordt uit het gezin weggehaald en verteld aan de hulpverlenende instanties dat ook haar kleine broertje slachtoffer wordt of misschien al is. Ook hij wordt weggehaald en moeder blijft alleen en verdrietig achter. Zij is zo boos op haar man dat hij er niet meer in komt.
Wat volgt is zes jaar onzekerheid. Waar blijven mijn kinderen? Komen ze nog thuis? Hoeveel heb ik nog te vertellen over ze? Maar ze geeft niet op. Elke keer opnieuw zal ze vechten voor haar kinderen als een leeuwin voor haar welpjes. Met haar Zuid-Amerikaanse temperament is ze dan ook goed in staat om voor zichzelf en haar kinderen de strijd aan te gaan.

Frits is nu weer thuis. Door het verdwijnen van vader is de thuissituatie veilig genoeg geworden. Hij blijkt, net als zijn zus, ook een verstandelijke beperking te hebben. De strijd van moeder met de hulpverlening duurt echter voort uit boosheid en het gevoel dat haar onrecht is aangedaan door haar ex-man en door de rest van de wereld. Ik ben nieuw voor haar. Alle voorgaande hulpverleners kennen haar maar al te goed. Het gaat inmiddels best goed met de nu 14-jarige Frits. Zijn schoolprestaties zijn best. Hij heeft een aantal leuke vriendjes en hij is gek op voetbal. Het is de hoogste tijd om eens met Frits en zijn moeder te kijken hoe ze verder kunnen gaan.

Moeder is klaar voor weer een nieuwe strijd met de instanties. Ze zit voor de deur in het zonnetje te roken wanneer ik op onze afspraak verschijn. We gaan naar binnen. Frits is zich nog even aan het opfrissen, maar wij kunnen alvast even bijpraten.
Er staan twee stoelen klaar in de woonkamer. 'Ik zit daar altijd' zegt ze wanneer ze wijst op een comfortabele stevige stoel. Ik kon dat wel raden, aangezien de bekleding fors versleten was. Recht tegenover haar stoel heeft zij voor mij een houten keukenstoel neergezet. Ze schenkt eerst nog even koffie in.
Wanneer ik vraag hoe het met haar gaat barst de bom al. Al haar boosheid van 6 jaar komt boven. Met een verdrietige en boze blik in haar ogen vervloekt ze mij, mijn collega’s, alle rechters, maar boven al haar man. Haar tirade varieert van vloekende boosheid tot huilend verdriet en ik krijg er geen speld tussen. Ik probeer haar te vertellen dat het goed gaat en wat een vooruitgang Frits heeft gemaakt, maar ze hoort het niet. Ze heeft de verloopdatum van de onder toezichtstelling in haar hoofd geprent en gaat opnieuw voor in de strijd.

Frits is erbij gekomen. Hij heeft net een verfrissende douche genomen en neemt een boterham. Hij vraagt er cola bij, maar zijn moeder zegt hem dat hij beter melk kan nemen bij het ontbijt. Hij gaat op de lage bank in de kamer zitten. Hij begrijpt zijn moeder eigenlijk wel. Hij houdt veel van haar en kan niet goed tegen haar verdriet. Hij begrijpt mij echter ook en hij ziet mij pogingen doen om door te dringen tot zijn moeder. Hij ziet mij praten over zijn toekomst en hoort zijn moeder huilen over het verleden. Frits snapt heel goed dat je alleen maar met elkaar kunt praten als je elkaar ook daadwerkelijk kan verstaan. Dan kan hij er niet meer tegen. Jarenlange strijd en verdriet van zijn moeder worden hem teveel. Hij heeft zich tot nu toe nog niet met het gesprek bemoeid, maar flapt er in een keer uit wat hij al een lange tijd voelt. De verrassing en de stilte die vallen doen ons allemaal goed.




Artikelen
.



Jeugdzorg moet zich meer richten op het gezin

Hulpverleners moeten hun inzet intensiveren in de wijken waar de problemen het grootst zijn.

De Jeugdzorg is vaak genoeg in het nieuws, maar altijd vanwege incidenten. Telkens staat één vraag centraal: hoe kan herhaling voorkomen worden? Het gaat alleen nog over het stelsel, de systemen en werkprocessen. Over de kinderen zelf gaat het niet meer.

Terwijl over die kinderen genoeg bekend is. Er valt precies aan te wijzen in welke gezinnen de problemen zich opstapelen. Marcel van Dam noemt ze de ’onrendabelen’. Juist op deze gezinnen reageert de hulpverlening vaak met korte interventies, terwijl het gaat om chronische problematiek. Dat bleek gisteren nog eens bij de presentatie van het rapport ’Kinderen in Tel’, over de positie van kinderen aan de onderkant van de samenleving.

In plaats van het stelsel van Jeugdzorg te reorganiseren, is het veel urgenter dat de Jeugdzorg zich intensief gaat richten op het gezin, met de mogelijkheid van een ’time out’ voor het beknelde kind. In plaats van kinderen naar een internaat te sturen, zou het internaat – in de vorm van toezicht – naar het gezin gestuurd moeten worden.

Iedereen wil dat kinderen opgroeien in hun eigen thuissituatie, dat ze in de eigen buurt naar school gaan en dat ze steun en plezier hebben bij vrienden. Dat ze hun talenten kunnen ontplooien en ambities kunnen realiseren. Om dat te kunnen realiseren, is het nodig om anders te gaan denken over Jeugdzorg.

Oud-minister Winsemius heeft daarvoor de weg gewezen. Van hem is de gedachte dat de problemen in Nederland over het algemeen wel meevallen, maar dat er zo’n veertig wijken zijn waar het explosief de verkeerde kant op gaat. Wijken waar de krachtige bewoners, degenen met potentie, vertrekken en waar de bewoners die achter blijven de aansluiting met de samenleving kwijtraken.

De oplossing van Winsemius was: langdurig investeren in deze wijken, vanuit alle relevante beleidssectoren. Iets vergelijkbaars heeft hij ook gezegd over de groep van zo’n 30.000 jongeren die jaarlijks uit het onderwijs vallen omdat ze overbelast zijn en onvoldoende steun ervaren.

Eenzelfde manier van denken is ook in de Jeugdzorg nodig. Veiligheid voor het kind, veiligheid in het gezin en veiligheid in de wijk hangen samen en moeten integraal aangepakt worden. Hulpverleners moeten hun inzet intensiveren in de wijken waar de problemen het grootst zijn. Ze moeten meer zijn dan een klassieke aanbieder van bescherming en zorg.

Op die weg heeft de Jeugdzorg ook al eerste stappen gezet. Met ’Eigen-Krachtconferenties’ wordt ingezet op de positieve krachten in het eigen gezin en het netwerk van de jongere. En er zijn ’gezinsmanagers’ gekomen, die in hun aanpak van probleemgezinnen de samenwerking zoeken met partijen buiten de Jeugdzorg, zoals sociale diensten, politie en woningcorporaties.

Hulp moet zich niet meer alleen richten op het kind, maar op het hele gezinssysteem. Daarbij zijn ruimere mogelijkheden nodig om soms dwang en drang in te kunnen zetten. Want de Jeugdzorg zelf beschikt alleen over relatief botte middelen als een ondertoezichtstelling of een uithuisplaatsing. Instrumenten als een dreigende woonuitzetting, korting op de uitkering en meer dwingende controle van de zijde van de politie zijn wenselijke aanvullingen.

Buiten de Jeugdzorg zijn er voorbeelden van instellingen die de klassieke grenzen laten voor wat ze zijn en de stap zetten naar een meer geïntegreerd aanbod. Het bekendste voorbeeld is de brede school, waar naast onderwijs, ook opvang, sport, cultuur en zorg een plaats vinden.

Ook de Jeugdzorg moet deze stap zetten. Om te beginnen in de probleemwijken, de buurten waar de meeste kinderen en jeugdigen wonen die ook nu al de cliënten zijn. Daar moet de Jeugdzorg samen met bewoners, onderwijs en welzijnsorganisaties zorgen voor een positief klimaat waarin kinderen en jeugdigen kunnen opgroeien.

Concreet betekent het dat jeugdbeschermers twee keer zoveel ’directe contacttijd’ aan gezinnen moeten besteden. Dat er bij chronische problemen ook begeleiding over een lange periode waargemaakt moet worden. Dat vraagt om een jeugdzorgstelsel dat zich voegt naar de problemen van en oplossingen voor gezinnen in plaats van andersom.

Het vraagt ook om ruimte in regelingen en stelsels, op een doorstart van de vele kansrijke initiatieven. En niet om aanhoudende discussies over het stelsel, waarin alle partijen zich in loopgraven schuilhouden. Geef jeugdzorg de ruimte.


Bezoek William Schrikker Groep heeft als 1e het HKZ certificaat voor de Bureaus Jeugdzorg in huis

DIEMEN- De William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering hebben als eerste jeugdzorgorganisatie in Nederland het HKZ certificaat behaald. De William Schrikker Pleegzorg was al HKZ gecertificeerd. De WSG is een landelijk werkende, gespecialiseerde jeugdzorginstelling die werkt voor kinderen en/of ouders met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking. De WSG heeft 10.000 cliënten en telt ruim 1000 medewerkers.
De William Schrikker Groep wil optimale kwaliteit leveren aan zijn cliënten. De cliënt staat bij de WSG centraal en er is de organisatie dan ook veel aan gelegen om de cliënt, hoe lastig een situatie met een cliënt soms ook kan zijn, optimaal en met de juiste middelen te ondersteunen. Hiervoor heeft zij onder andere interne afspraken om ervoor te zorgen dat het geen toeval is dat cliënten goede dienstverlening ontvangen. Deze afspraken zijn nu extern getoetst aan de HKZ voor de Bureaus Jeugdzorg, met een certificaat als resultaat. Hierdoor worden we aangemoedigd om door te gaan met het continue verbeteren van de dienstverlening en de interne processen die deze ondersteunen.
De ondersteuning  en het Expertisecentrum hebben opnieuw een ISO certificaat ontvangen.
Voor de redactie: u kunt voor nadere informatie aangaande dit bericht contact opnemen met Ad Veen , hoofd communicatie WSG 06-52524208.



Download de pdf van het artikel Meer plezier minder papier.



Download de pdf van het artikel Puinruimen in een probleemgezin.



 
Interviews. Voorbeelden uit de praktijk. Artikelen.