Op een dag belde ze en zei ze tegen me: ‘…maar Magdy, ik ben niet gek, ik ben echt niet gek…’.
Weken later zit ik in Driebergen. Ik ben bij de Summer School van de WSG. Ik doe een schrijfoefening en ik krijg de opdracht om me helemaal in te leven in één voorwerp. Ik kijk, ik hoor, ik ruik, ik voel, ik proef. Ik sluit m’n ogen en dan zie ik het: ik zie wat ik wil zien, ik hoor wat ik wil horen, ik ruik wat ik wil ruiken, ik voel wat ik wil voelen, ik proef wat ik wil proeven.
Ondertussen was ik zo geobsedeerd met mijn voorwerp bezig dat ik helemaal niet merkte dat de wereld om me heen bleef doordraaien. Ik miste de auto’s die voorbij raasden, de treinen die voorbij gleden, de wind in de boomtoppen. Ik zag opeens mijn elleboog over de tafel bewegen.
Ik was wekenlang intensief in de weer geweest met haar. Ik had geprobeerd haar te zien, te horen, te ruiken, te voelen, te proeven. Ik dacht haar te lezen en nog eens te lezen. Maar het was als de oefening in Driebergen: mijn zintuigen namen waar wat ze wilden waarnemen. En daarin stond ik niet alleen: ook haar advocaat , haar ouders, de andere hulpverleners en begeleiders. Het hele systeem had waargenomen wat het (bij voorbaat) wilde waarnemen.
Zij was geen mongool, ze was echt geen mongool. Ze had geen IQ van 68 of 86, maar 94. We waren allemaal zo intensief bezig met waar me mee bezig wilden zijn dat we niet in de gaten hadden dat het niet klopte.
Ik leerde ervan dat je altijd scherp moet blijven, je steeds weer moet afvragen of wat je hebt gevonden ook is wat je hebt gezocht. Keer op keer op keer.